Hoge Raad bevestigt geldigheid van pre-2021 gokovereenkomsten met buitenlandse operators
Hoge Raad bevestigt geldigheid van pre-2021 gokovereenkomsten met buitenlandse operators

De Hoge Raad der Nederlanden heeft op 9 juli 2026 uitspraak gedaan in meerdere zaken die draaien om online gokcontracten met niet-gelicentieerde aanbieders, doorgaans gevestigd op Malta, die vóór de start van de gereguleerde markt op 1 oktober 2021 zijn afgesloten. Het hoogste rechtscollege oordeelt dat dergelijke overeenkomsten niet automatisch nietig of vernietigbaar zijn op grond van artikel 3:40 van het Burgerlijk Wetboek. Daarmee verwerpt de Raad de vorderingen van spelers die volledige terugbetaling van historische verliezen eisen en biedt het lagere rechters concrete handvatten voor vergelijkbare procedures.
Het arrest bouwt voort op de Wet op de kansspelen, die weliswaar een verbod bevat op het aanbieden van kansspelen zonder vergunning, maar geen bepaling kent die de onderliggende civiele contracten automatisch ongeldig verklaart. Rechters in Amsterdam en Noord-Holland hadden prejudiciële vragen gesteld over de gevolgen van dat verbod voor de geldigheid van overeenkomsten en de mogelijkheid tot terugvordering van bedragen. De Hoge Raad beantwoordt die vragen door te stellen dat de wetgever geen automatische nietigheid heeft beoogd en dat spelers individuele omstandigheden moeten aantonen om een beroep op vernietiging te kunnen doen.
Achtergrond van de procedures
Meerdere spelers hadden civiele procedures aangespannen tegen buitenlandse aanbieders nadat zij in de periode 2015 tot 2021 aanzienlijke bedragen hadden verloren op illegale platforms. Zij baseerden hun claims op de stelling dat de contracten in strijd waren met de openbare orde en goede zeden, waardoor artikel 3:40 BW van toepassing zou zijn. Lagere rechtbanken worstelden met de vraag of het wettelijke verbod op ongeautoriseerde kansspelen automatisch doorwerkt in het civiele recht en of spelers recht hebben op restitutie van alle verliezen zonder nadere bewijsvoering.
De zaak kreeg extra aandacht omdat de Kansspelautoriteit in juli 2026 meerdere boetes had opgelegd aan illegale sites en omdat de markt inmiddels volledig gereguleerd is. Toch benadrukt de Hoge Raad dat de uitspraak zich beperkt tot de periode vóór 1 oktober 2021 en geen oordeel geeft over huidige aanbieders met een Nederlandse vergunning. Volgens het arrest blijft de mogelijkheid bestaan dat een speler in een concreet geval een geslaagd beroep doet op dwaling of misbruik van omstandigheden, maar dat vereist individuele beoordeling per zaak.
Inhoud van het arrest
De Hoge Raad stelt vast dat de wetgever met de introductie van het vergunningenstelsel geen regeling heeft getroffen die alle bestaande contracten met niet-gelicentieerde aanbieders van rechtswege nietig maakt. Het verbod in de Wet op de kansspelen richt zich primair op de aanbieder en niet op de geldigheid van de overeenkomst tussen speler en operator. Daardoor blijft het algemene contractenrecht van toepassing en moet een speler die terugbetaling wenst, voldoen aan de eisen die artikel 3:40 BW en verwante bepalingen stellen.
Het arrest verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin de Raad eveneens oordeelde dat niet elk wettelijk verbod automatisch leidt tot nietigheid van privaatrechtelijke rechtshandelingen. De lagere rechters krijgen hiermee de opdracht om per zaak te onderzoeken of er bijkomende omstandigheden zijn die de overeenkomst aantasten, zoals misleidende reclame of oneerlijke handelspraktijken. Automatische terugbetaling van alle verliezen is volgens het arrest niet aan de orde.

Gevolgen voor lopende procedures
Rechtbanken in Amsterdam en Noord-Holland hebben inmiddels laten weten dat zij de lopende zaken zullen beoordelen aan de hand van de nieuwe richtlijnen. Spelers die nog procedures hebben lopen, moeten mogelijk aanvullende bewijsstukken overleggen om hun vordering te onderbouwen. Voor operators die voor 2021 actief waren op de Nederlandse markt zonder vergunning, betekent het arrest dat claims voor massale terugbetalingen grotendeels van de baan zijn, hoewel individuele gevallen nog steeds kunnen leiden tot gedeeltelijke of volledige restitutie.
De uitspraak zorgt voor duidelijkheid in een dossier dat al jaren onduidelijkheid kende. Lagere rechters hoefden niet langer te wachten op een definitief oordeel en kunnen nu gerichter vonnissen wijzen. De Kansspelautoriteit heeft aangegeven dat het arrest geen gevolgen heeft voor haar toezichtstaken, omdat die zich richten op naleving van de vergunningsplicht en niet op civiele geschillen tussen spelers en aanbieders.
Reacties uit de sector
Belangenorganisaties van spelers hebben het arrest met gemengde gevoelens ontvangen. Sommige partijen overwegen om in individuele gevallen alsnog door te procederen op basis van andere rechtsgronden, terwijl anderen het oordeel accepteren als definitief. Aanbieders die destijds zonder Nederlandse vergunning opereerden, zien het arrest als bevestiging dat zij niet automatisch aansprakelijk zijn voor alle verliezen uit die periode.
Juristen die gespecialiseerd zijn in kansspelrecht merken op dat de Hoge Raad een duidelijke lijn trekt tussen publiekrechtelijke handhaving en privaatrechtelijke gevolgen. Die scheiding voorkomt dat het verbod op illegaal aanbod via de achterdeur alsnog leidt tot een de facto restitutieregime. De uitspraak zal waarschijnlijk ook invloed hebben op vergelijkbare zaken in andere Europese landen waar vergelijkbare discussies spelen over de geldigheid van contracten met buitenlandse gokbedrijven.
Conclusie
Met het arrest van 9 juli 2026 heeft de Hoge Raad een belangrijk signaal afgegeven over de reikwijdte van het verbod op ongeautoriseerde kansspelen. Contracten die vóór 1 oktober 2021 tot stand kwamen met niet-gelicentieerde operators blijven in beginsel geldig onder het civiele recht. Spelers die terugbetaling wensen, zullen voortaan per geval moeten aantonen dat er bijkomende omstandigheden zijn die de overeenkomst aantasten. De uitspraak biedt lagere rechters de nodige duidelijkheid en beperkt de mogelijkheid van automatische massale claims. N/A (landmark decision on pre-2021 gambling contracts) en N/A (court ruling/preliminary questions from District Court of Amsterdam and District Court of North Holland) vormen de belangrijkste bronnen voor deze ontwikkeling.